Ach

januari 9, 2009

62298252_7325970eac

‘Ach, waarom ook niet?’, dacht S.. En toen sprong ze. Er was helemaal geen wit licht, haar leven flitste niet voorbij. Er was geen tunnel. Geen reeds gestorven familielid. Enkel vallen in de diepte, steeds sneller. De tijd stond niet stil, het gebeurde niet in slow motion. Integendeel. Het gebeurde net heel snel. De knop omdraaien en springen, en dat was het dan. Enkele seconden vallen, het water tegemoet gevolgd door een droge klap. Een plons.

Door de grote snelheid waarmee ze het water raakte was ze op slag bewusteloos en zou ze nooit meer bijkomen. Van S. was er plotsklaps geen sprake meer.

____________________________________________________________

‘S., kom je nog?’, riep A. ongeduldig vanuit de keuken. Ze waren te laat. Zoals steeds was het S.’s schuld. Ze zat voortdurend te lang in de badkamer. Als ze in de badkamer ging, vervielen alle conventies van tijd en ruimte. Ze kwam er niet uit voor ze eruit zag net zoals ze het hebben wilde. Geen seconde eerder. En als je daardoor iets tot veel te laat kwam, dan was dat maar zo. S. kon het niet, buitenkomen zonder er piekfijn uit te zien. Ze was er al bijna haar hele leven niet toe in staat. En zelfs als het haar lukte om vroeg klaar te zijn, kon ze nooit volledig tevreden zijn met haar al dan niet geslaagde kledingskeuze. Ze had het niet in haar, S. was nooit echt blij geweest met zichzelf en eigenlijk ook nooit echt gelukkig. Het lukte niet. S. kon niet gelukkig zijn, ze kon enkel spelen alsof ze gelukkig was. Dit kon ze onderhand dan wel als de beste. Het was haar absoluut niet aan te zien dat ze eigenlijk helemaal niet gelukkig was. Dat het haar ontbrak aan elk greintje levenslust..

Het is niet zo dat S. te klagen had nochtans. Integendeel, S. had net heel blij moeten zijn. Tijdens haar studies had ze A. leren kennen, een vrolijke doch verlegen jongen die van in het begin dolverliefd was op S.. Voor hem was het een geval van dat liefde-op-het-eerste-gezichtgevoel dat zo zelden nog lijkt voor te komen in onze hedendaagse wereld. S. had hem echter niet opgemerkt en het duurde een jaar vooraleer ze hun eerste gesprek hadden. Het gebeurde in de klas en A. herinnert zich nog goed hoe gelukkig hij wel niet was toen hij er ’s avonds aan terugdacht. Gaandeweg hadden ze meer naast elkaar komen te zitten en gingen ze zelfs samen eten ’s middags. S. had rap door dat A. meer zag in haar dan zij in hem maar ergens had ze nooit de moed gehad om het hem te vertellen. Dat hij beter zijn heil ergens anders zocht. Dat hij verliefd was op een leeg omhulsel. Zonder warmte vanbinnen, enkel donkere gedachten niet bestemd voor andermans oor en al zeker niet voor die van een man. Maar, ze weet zelf niet waarom, ze had het hem nooit verteld. Ze had hem laten haar het hof maken. Hem laten denken dat het lukte. Hem laten denken dat van het een het ander kwam en dat bij haar de vlam ook oversloeg. Ze wist dat het eigenlijk niet hoorde, maar ze was op een bepaald punt al zo ver dat ze het niet meer kon tegenhouden. Niet voor zichzelf, maar voor A.. Ze hield niet van hem maar ze kon toch zijn hart niet breken.

Na hun studies waren ze als vanzelfsprekend – voor A. – samen gaan wonen. Ze waren niet getrouwd en hadden geen kinderen. A. wou er geen en zij wou geen man, laat staan kinderen. Daarin konden ze elkaar dus wel vinden. A. wou best trouwen maar S. had steeds de boot afgehouden. Niet dat het voor haar veel verschil maakte maar ergens wist ze dat als ze zouden trouwen hun huwelijk een kort leven zou beschoren zijn. Ze wou niet dat hij als weduwnaar door het leven moest. Ze gaf als reden dat ze zich nog niet wou binden, of dat ze er nog niet klaar voor was, of gewoon simpelweg dat ze nooit wilde trouwen.

De ware toedracht waarom ze niet wou trouwen zou A. niet vernemen, althans niet tot het te laat zou zijn. Hij wist van niks, zou niks zien, zou de tekens enkel niet zien of verkeerd interpreteren. Het resultaat bleef echter hetzelfde.

S. had ook niet te klagen qua werksituatie. Het solliciteren verliep bijzonder vlot. Ze was er nooit met haar volle gedachten bij maar voor ze het wist had ze een job. Ze wilde de job eigenlijk niet. Waarom ook moeite doen? Maar eens te meer had ze het dan toch aangenomen zonder de moed te hebben eerlijk te zeggen dat het voor haar niet hoefde, dat het toch niet lang zou duren. Ze werd de persoonlijk assistente van een van de kleinere kaderleden van een multinational. Heel profielloos, net zoals zij vanbinnen was. Grijs, mooi opgeruimd maar leeg en zonder hart. Ze deed haar werk naar behoren en haar baas was best tevreden.

Die zou het ook niet zien aankomen, veel persoonlijk contact was er dan ook niet.

Buiten het werk had S. vele vrienden, ze had zelfs nog vriendinnen van tijdens het middelbaar die ze, toegegeven, minder vaak zag, maar er bleef toch contact. Zij en A. gingen regelmatig op stap met hun vrienden van tijdens hun opleiding en ze leerden zelf regelmatig nieuwe mensen kennen. Zelfs vriendschap had S. feilloos leren imiteren. Het ging allemaal vanzelf, ze wou niet opvallen dus deed ze maar net zoals iedereen zonder dat iemand ooit bevroedde wat er zich echt in haar binnenste afspeelde.

Je zou kunnen denken dat het aan iets uit haar verleden moet liggen. Aangezien een van de eerste conclusies is dat de oorzaak niet bij haar huidige leven valt te zoeken, ze leek gelukkig met haar vriend, had goed werk en een sociaal leven.

Ze had een gelukkige jeugd gehad. Zoveel is zeker. Haar ouders waren gelukkig getrouwd, en waren dat nog steeds. Een klassiek gezinnetje, twee kinderen en een hond. Als jong meisje was S. onopvallend geweest. Ze viel niet op door buitensporigheden maar ze viel ook niet op door niet op te vallen. Ze had een gemiddeld aantal vrienden, ging naar de scouts en speelde piano. Ze blonk niet uit in het sjorren en ze was geen talent in het bespelen van de toetsen maar slecht was ze nu ook weer niet. Ze was simpelweg een doodgewoon kind.

Ze had een katholieke opvoeding genoten, voor zover dit nog kan gezegd worden tegenwoordig. Ze was gedoopt en had haar beide communies gedaan. Daarbuiten was ze enkel in de kerk geweest tijdens bruiloften en begrafenissen. Christelijk was ze dus enkel theoretisch gezien. Ze geloofde niet in God en ook niet in eender welke hogere macht. Ze dacht dat het leven hier begon en ook hier eindigde. Hierna was er niks, letterlijk niks.

Zelfs mocht er een God bestaan, in de hemel zou ze niet komen. Diegenen die erin geloofden zeiden toch dat zelfmoord een doodszonde was en je ziel bijgevolg niet in de hemel mocht. Ervan uitgaande dat die ook bestond natuurlijk.

Ze werd er niet gepest, althans niet uitvoerig. Iedereen werd wel eens gepest maar heel erge plagerijen bleven haar gelukkig gespaard. Haar jeugd was ze relatief gelukkig doorgekomen. Ze had een oudere broer die haar min of meer beschermde als het echt nodig was op school dus daar liep alles vlot. De verstandhouding tussen S. en haar broer was altijd al vrij goed geweest. Natuurlijk hadden ze, zoals in alle gezinnen, best wel eens gevochten en hevige woordenwisselingen gehad maar uiteindelijk hielden ze van elkaar als broer en zus. Ze konden hechter geweest zijn maar ze begrepen elkaar.  S. zou nooit echt hecht zijn met iemand, haar gehele leven niet. Dat had ze ook niet in haar. Ergens, ze wist niet waarom, lukte het gewoon niet.

Met haar ouders had ze regelmatig overhoop gelegen. Zoals elk kind had ze een betere band met de ene ouder dan met de andere. In S. haar geval was het niet moeilijk, haar vader was zelden thuis dus had ze als vanzelf een betere relatie met haar moeder, simpelweg doordat ze aanwezig was in haar leven. Haar vader had het gemaakt in hetzelfde soort multinational waar ze later zou gaan werken. Hij was van hetzelfde niveau baas als waar ze later zelf zou voor komen te werken. Gevolg hiervan was dat hij veel in het buitenland zat en dat hij vaak laat thuiskwam en zo goed als direct ging slapen. Niet dat S. hier last van ondervond. Het was nu eenmaal zo en daar kon ze best mee leven. Ze voelde zich helemaal niet verwaarloosd, ze had vroeg geleerd zelfstandig te zijn.

Haar moeder was een heel ander verhaal. Die had lang geprobeerd tot S. door te dringen. Geprobeerd een echte vriendin te zijn van haar dochter en niet een moeder. Zoals in zoveel huisgezinnen gebeurt, liepen haar pogingen op niks uit. S. had een goede relatie met haar moeder maar er echt mee praten dat lukte niet. Haar moeder had er met enkele van haar vriendinnen over gesproken en buiten een enkeling wilden al die hun dochters ook niet openlijk met hun moeder praten. Ze hadden daar hun vrienden en vriendinnen voor. Het werd soms nu eenmaal niet gedaan en S. haar moeder had leren aanvaarden dat het bij haar dochter evenzeer zo was.

Het was niet zo dat S. niet praatte met haar moeder omdat het haar moeder was en omdat je praatte met je vriendinnen. S. zou nooit echt haar hart luchten tegen eender wie. Maar dat zou haar moeder nooit weten. S. had namelijk de schijn leren ophouden en door veel te luisteren naar andere vriendinnen leek het alsof ze echt een band had met bepaalde personen.

Het maakte de moeder van S. echter niet gelukkig. Ze was trots op haar kinderen en ze wou er iets over kunnen vertellen. De moeder van S. bleef dus maar vragen hoe het was en hoe het op school ging en of ze eens iets samen gingen drinken. Het had op S. echter helemaal geen effect. Niet omdat ze het niet goed kon vinden met haar moeder maar gewoon omdat ze niks te vertellen had buiten een leven opgebouwd uit valse gevoelens. S. wou het niet ingewikkelder maken dan het al was dus deed ze wat veel van haar vriendinnen deden. Enkel praten met haar moeder als het echt nodig was. Wat bij S. zo goed als nooit is voorgevallen.

Ze had een normale thuissituatie en in het middelbaar ging ze Moderne Talen-Wiskunde studeren. Zonder echte reden. Ze wist dat ze het aankon en het had talen en wetenschappen, van alles wat dus. Waarom niet dus? Ze blonk niet uit, niet in talen en niet in wetenschappen. Ze had er ook geen speciaal grote interesse voor. Ze deed het gewoon omdat je verwacht werd iets te doen en te slagen in het leven. Zo werd er tegenwoordig nu eenmaal gedacht. Als je maar goede punten haalt, dan komt uiteindelijk alles wel goed, je zal het zien.

Klaarblijkelijk lijkt deze bewering toch niet altijd te kloppen. Toch niet in S.’s geval. Als iemand die geslaagd was in het leven zou niemand haar ooit meer omschrijven. Ze had het nochtans allemaal maar voor het oprapen zouden ze zeggen. Onbegrip, ongeloof en zoveel andere ons worden altijd grif gebruikt na zulke gevallen. Wat moest je er namelijk anders van denken, placht men dan ook steeds te zeggen.

Zonder problemen maar ook zonder uitschieters sleet ze haar dagen op de middelbare school. Ze versleet enkele lieven maar lief heeft ze nooit echt gehad. Ze vond het gewoon moeilijk om een van die jongens bot af te wijzen en teleur te stellen als ze zoveel moeite deden. Ze haalde er weinig plezier uit en evenmin verdriet maar ze leek er toch normaal door. Iedereen had tenslotte toch een vriendje, dus had zij er op tijd en stond ook maar eentje.

Na haar middelbare studies wist ze even niet wat doen.

Echt niet.

Ze vroeg dus maar aan haar vriendinnen wat ze gingen doen en koos toen voor een richting die ze geen van allen gingen doen. Zo was het gemakkelijker om het contact met elkaar te verliezen. Ze hoefde de schijn niet langer op te houden, ze kon gewoon zeggen dat ze allemaal een andere weg waren ingeslagen en dat ze zo elkaar uit het oog waren verloren.

Aan haar verre verleden leek het dus ook niet te liggen. Op het eerste gezicht toch niet. Doodnormale jeugd, doodnormale puberteit en toch was ze nu doodgewoon dood.

Het werd office management. Het had niet echt een reden. S.’s buurvrouw had het gedaan en die was er tevreden over, ook al had ze niet bepaald een bevredigende, uitdagende job, ze had er toch een.

Niet erg ongelukkig vatte ze dus haar hogere studies aan. Een nieuwe lei, een nieuw begin.

Ze leerde A. kennen, studeerde niet onverdienstelijk af. Ze haalde net geen onderscheiding. Erg vond ze dat niet. Het was haar allemaal eender. Ze zat al een achttal jaar elders met haar gedachten en hogere studies veranderden daar niks aan.

En nu? Was dan nu de tijd gekomen om afscheid te nemen van het leven, van een wereld waarin ze niks te zoeken had?

Ze voelde bij zichzelf het einde naderen. Onbewust wist ze  dat het nu niet lang meer zou duren.

A. had er geen erg in. Hij zat boordevol plannen en ideeën. Hij vroeg S. om samen te gaan wonen en als vanouds wist ze geen nee te zeggen. Tijdens de zoektocht naar een huis deed ze alsof het haar heel erg kon schelen. A. deed al het opzoekingwerk maar ze gingen samen kijken en discussieerden gezamenlijk over de bezochte panden. Zo hield S. de schijn hoog. A. dacht dat alles normaal was toen ze uiteindelijk de studio betrokken, drie hoog in een stille straat ergens tussen het gewoel van de stad in. S. had haar twijfels geuit over direct een huis kopen. Ze had A. weten te overtuigen om klein te beginnen en zo op te bouwen naar iets groter. Er was tenslotte nog tijd genoeg, had ze hem op een nacht toegefluisterd, met een wrang gevoel in haar maag.

Ze waren ondertussen een jaar verder en S. had dus werk gevonden. Ze dacht er niet bij na dat het nauwelijks nut had. Ze hield al jaren de schijn hoog dat ze volstrekt normaal was en ze hield het vol tot het bittere eind.

Bij zichzelf was ze nu wel al gaan nadenken hoe het zou zijn zonder haar. Zou sterven pijn doen? En dan vooral het moment dat je gaat, hoe bewust maak je het mee? Is het opeens dat je wegvalt? Als een schakelaar die je uitzet en die niemand nog terug aanzet of sputter je eerder leeg als een motor van een vliegtuig die opeens uitvalt en nog vruchteloos een minuut probeert te blijven functioneren? Allemaal vragen die ze nu beantwoord wist.

Laatste levensjaar inderdaad. Ze was er zich niet van bewust maar het ging dit jaar gebeuren maar op 1 oktober 1995 had ze nog 365 dagen te leven. 365 luttele dagen. De eerste 300 dagen dacht ze er nochtans niet aan. Althans niet meer dan in de vorige jaren. Ze was niet bijzonder gelukkig maar ze was niet ongelukkiger dan anders. Voor haar verliep alles normaal. Ze bleef de schijn ophouden en de wereld leek daar vrolijk in mee te gaan.

Terwijl A. overliep van gevoelens maar ze niet onder woorden kon brengen was het bij haar net omgekeerd, ze was helemaal wars van gevoelens, ze was helemaal leeg vanbinnen en ze kon perfect beschrijven hoe het voelde. Ze wou het echter niet. Niemand hoefde het te weten en ze zou dan ook zwijgen tot het einde van haar dagen.

Iedereen bleef verweesd achter, zonder ooit de ware reden achter S.’s zelfmoord te achterhalen. De reden was namelijk nergens te zoeken. Geen hopeloze daad van onmacht of woede of welke andere emotie dan ook. Ze wou doodgewoon dood.

‘Ga jij de auto al halen, schat?’ dan kom ik zo buiten bij je.

A. wist niet dat dit haar laatste woorden waren. Zinloze woorden, niemand zei iets betekenisvol als men van plan was de dood in te gaan. Alles werd onzinnig in het aanschijn van de dood. Alles werd zinloos als je er een punt achter zette. Zo is dat nu eenmaal.

S. wachtte even, ging naar buiten en sloeg linksaf, terwijl A. net aan de rechterkant de auto ging halen.

‘Ach, waarom ook niet?’, dacht S.. En toen sprong ze. Er was helemaal geen wit licht, haar leven flitste niet voorbij. Er was geen tunnel. Geen reeds gestorven familielid. Enkel vallen in de diepte, steeds sneller. De tijd stond niet stil, het gebeurde niet in slow motion. Integendeel. Het gebeurde net heel snel. De knop omdraaien en springen, en dat was het dan. Enkele seconden vallen, het water tegemoet gevolgd door een droge klap. Een plons.

Door de grote snelheid waarmee ze het water raakte was ze op slag bewusteloos en zou ze nooit meer bijkomen. Van S. was er plotsklaps geen sprake meer.

oranje

november 24, 2008

de stilte van allenacht
wordt gesmoord
door het oranje licht
dat heerst zonder pracht

lichtjaren ver
doven sterren uit
onopgemerkt worden ze overschaduwd
door een overdaad aan Watt
in de oplichtende stad.

sans titre

september 16, 2008

soms wil ik wel eens boodschappen doen
voor duizend dagen en dan gewoon
wachten en de tijd zien, horen
en voelen vervagen. alleen
zijn op de wereld en zien of
ik het kan verdragen
altijd maar weer
elke dag opnieuw en dan uiteindelijk
opnieuw duizend dagen tot ik een antwoord heb
op alle prangende vragen.
waarom ontbreekt het me keer op keer aan moed
om de sprong te wagen?

nooit

juli 5, 2008

beseffen
dat je elkaar dingen kan vertellen
die anderen helemaal niet hoeven te weten

beseffen
dat elkaar licht aanraken
even natuurlijk wordt als ademen

beseffen
dat ze je kan voorspellen
aan de hand van een zucht, een oogopslag, een blik

beseffen
dat ze je weet te raken
door een terloops gefluisterd compliment

beseffen
dat ze nooit de jouwe zal zijn
is het meest verrukkelijke venijn

alleen

juli 4, 2008

zo moe

eenzaam als het laatste blad
dat in de herfst nog niet van de boom is gevallen
gedragen door de wind, helemaal vanboven
en niet weet wat nou beter is

sneuvelen, en de anderen vervoegen
of levend boven blijven,
helemaal alleen

jouw schuld

juli 2, 2008

wat dacht je nou?
dat je hier zo maar even mee weg zou komen?

even tussendoor
krak

wat eens volmaakt was, is nu gebroken,
verwezen naar de donkere krochten van de gedachtenwereld

voor eeuwig gedoemd om verder te bestaan
uit halfslachtige flarden van zelfpijniging
en sombere momenten van spijt en wroeging

en het is allemaal jouw schuld
wat eens zo broos en breekbaar was, ligt nu in scherven uiteen

pats
op de grond

ga weg
en snel.

vergeten

juli 1, 2008

het is net alsof je verdrinkt, verzuipt, verwatert,
niks houdt je tegen, je valt, je verliest jezelf,
alles vergaat in vergetelheid.

je komt nog eenmaal boven water
je probeert je te redden, je klampt je vast aan die laatste strohalm,
iets roert zich, raak je terug weg uit dit bodemloze dal?
je probeert, je tracht, je krijgt goede moed.
alles in de doofpot, de vergeetput,
verdringen, verdrukken, weg ermee.

maar net als alles terug op z’n pootjes lijkt te belanden
zink je voor een tweede keer
dieper weg in de herinneringenput deze keer, je kan het niet
vergeten, alles steekt opnieuw de kop op, je verleden,
het haalt je in, daar lig je dan
verloren, vergeten, verwijderd uit de twijfelachtige zekerheid

misschien kom je nu niet meer boven water en wordt je niks anders dan
een cijfer in de statistieken, een paragraaf in een krant
of je vindt een allerlaatste reddingsboei
en je weet je terug naar het vasteland, onder de mensen te begeven

misschien
als ik het antwoord weet, zal ik het je laten weten,
als ik nog kan.

waar?

juni 29, 2008

waar ga je heen?
even naar buiten? een luchtje scheppen?
een sigaret roken? boodschappen doen?

of met je vrienden?

even weg naar café? een filmpje meepikken?
of simpelweg, bij iemand thuis,
rustig zitten, babbelen,
over de tijd van weleer.

soms vond je het niet leuk om ergens heen te gaan,
wou je dat ik meeging,
gingen we samen ergens heen,
ik, als jouw steun als je ergens helemaal niet wilde zijn.

bij je ouders, op doktersbezoek,
net voor een sollicitatie, bij de tandarts

ik hield zelfs je hand vast, als dat nodig was. en meer.

soms ging ik ergens heen,
alleen, in gezelschap, of met twee,

alleen vond ik leuk, even op mezelf,
in gezelschap, ook best gezellig,
maar met z’n tweeën ergens heen gaan
dan ging alles goed,
wist ik dat zelf de meest onmenselijke kwellingen verlicht zouden worden.
zo ging dat nu eenmaal, jij en ik,
samen. punt. meer had ik niet nodig.

nu laat ik je gaan, ik kan er niet meer zijn,
jij kan er niet meer zijn, deze reis doe je alleen.

waar ga je heen? ik weet het niet,
misschien ga je wel helemaal nergens heen, je l’ignore
ik kan je niet meer helpen, niet meer bijstaan.

waarom moest jij heengaan?
ik mis je.